I Tjing Orakel English

I Tjing Orakel Gids Jung vroeg de I Tjing of hij haar aan het Westen mocht voorstellen

Jung vroeg de I Tjing of hij haar aan het Westen mocht voorstellen

C.G. Jung schreef een voorwoord bij de Engelse vertaling van de I Tjing door Cary F. Baynes, naar de Duitse tekst van Richard Wilhelm. Volgens de overgeleverde ondertekening dateerde hij die tekst in Zürich, 1949. Een jaar later verscheen het boek bij Pantheon Books in New York, voor de Bollingen Foundation, als deel XIX van de Bollingen Series, onder de titel The I Ching or Book of Changes. Het was de eerste Engelstalige Amerikaanse uitgave.

De vertaalster, Cary Baynes, geboren Cary Fink (1883-1977), was volgens de biografische gegevens geen analysant van Jung maar een gewaardeerde vriendin en medewerker. Zij begon in 1929 aan de Engelse tekst en werkte er de jaren dertig aan door. Eerder had zij al ander werk van Jung mee vertaald: met haar toenmalige echtgenoot H.G. Peter Baynes Contributions to Analytical Psychology en Two Essays on Analytical Psychology, beide uit 1928, en met W.S. Dell Modern Man in Search of a Soul uit 1933.

De huidige hardcover bij Princeton University Press bevat ook de Tien Vleugels, de aanvullende teksten die aan Confucius worden toegeschreven. Princeton haalt de New York Times Book Review aan, die deze uitgave onder liefhebbers nog altijd de beste en meest gezaghebbende noemt.

Jung deed in dat voorwoord iets dat een inleiding zelden doet. Hij behandelde de I Tjing als een persoon die hij aan een kritisch westers publiek ging voorstellen, en hij vroeg die persoon, met de muntmethode, wat zij daarvan vond.

De spijspot stelt zich voor

Het antwoord was hexagram 50, Ting (鼎, De Spijspot). Jung las het alsof het boek zelf sprak. Het beschrijft zichzelf als een ritueel vaatwerk met gekookt voedsel erin, en dat voedsel stond voor geestelijke voeding. Een Chinese vertaling van het volledige voorwoord, heruitgegeven op 搜狐 (Sohu) onder de titel 荣格:《易经》序, bevestigt die lezing tot in de lijnteksten, en stemt daar overeen met de Engelstalige secundaire weergaven.

De bewegende lijnen waren negen op de tweede en negen op de derde plaats. Lijn twee: er is voedsel in de spijspot; zijn makkers zijn afgunstig, maar kunnen hem geen kwaad doen. Lijn drie: de handvatten van de spijspot zijn veranderd, de weg is belemmerd, maar het geluk komt uiteindelijk.

Volgens dezelfde Chinese vertaling vergeleek Jung het orakelboek zelf met een omgekeerde, ongebruikte spijspot vol bezinksel. Door het boek weer recht te zetten, dat wil zeggen opnieuw te gebruiken, wordt het bezinksel verwijderd en kan het weer dienen.

Dat is geen filologische stelling. Het is een man die het boek laat spreken over het feit dat hij het boek gaat aanbevelen. Onze lezing: de spijspot is tegelijk het werk, de vertaling die het Westen bereikt, en de geestelijke spijs.

De tweede vraag en de regel van één keer

Later, toen Jung overwoog om over die eerste raadpleging te schrijven, dus over zijn eigen handelen in het voorwoord, vroeg hij opnieuw. Hij kreeg hexagram 29, K'an (坎, Het Onpeilbare), met de derde lijn bewegend. Die lijn verandert naar hexagram 48, Ching (井, De Waterput). De Sohu-vertaling en de Engelstalige weergaven zijn het over die reeks eens.

De derde lijn waarschuwt: voorwaarts en achterwaarts, afgrond op afgrond. De raad is dat men zich zo niet dient te gedragen, of zich alleen aan kleine dingen te wagen. Jung las daarin de opdracht zich te beperken tot een bescheiden doel: laten zien hoe de I Tjing in het Chinese denken functioneert, in plaats van een volledig psychologisch commentaar op het hele boek te schrijven.

Het antwoord beviel hem, schrijft hij; dezelfde vraag een tweede keer stellen zou tactloos zijn geweest. De formule is kort: de meester spreekt maar één keer. Een Engelstalige bespreking verbindt dat met hexagram 4, Meng, waar het orakel lastig wordt als men twee of drie keer vraagt.

De tweede raadpleging is dus geen herhaling van de eerste vraag. Het is een vraag over het vertellen van de eerste. Onze lezing: Jung gebruikte het orakel niet als bewijs tegenover het Westen, maar als rem op zichzelf. Hexagram 50 laat het boek zich voorstellen; hexagram 29 snijdt het commentaar af. De beroemde geste in het voorwoord is daarmee strenger dan hij in de oververtelling vaak klinkt. Het boek mag spreken. De psycholoog mag niet alles zeggen wat hij zou willen zeggen.

Jung noemt in het voorwoord dat Confucius slechts één ongepast antwoord zou hebben gekregen, hexagram 22; de uitleg dat hij teleurgesteld was komt uit een Engelstalige bespreking.

Geen sinoloog, wel een getuigenis

Jung schrijft dat hij geen sinoloog is, en dat een voorwoord van zijn hand daarom vooral een getuigenis moet zijn van zijn eigen ervaring met het boek, niet een filologisch of wetenschappelijk oordeel. Die terughouding is in de Chinese én de Engelstalige weergave van de tekst terug te vinden.

Volgens de Engelstalige samenvattingen noemt hij het gênant om aan een modern publiek archaïsche magische formules voor te leggen, en vraagt hij om het goedvinden en de verbeeldingskracht van de lezer. In het voorwoord zou hij ook stellen dat westerse sinologen en gezaghebbende Chinese geleerden hem hebben laten weten dat de I Tjing niets meer is dan een verzameling verouderde magische spreuken. Toch neemt hij, op grond van zijn ervaring in de psychotherapie, een pragmatisch standpunt in: er hoeft volgens hem niets occults te worden verondersteld om te verklaren waarom het boek zinvolle antwoorden lijkt te geven.

Hij schrijft in 1949 dat hij zich al meer dan dertig jaar met deze orakeltechniek bezighoudt, en dat hij al redelijk vertrouwd was met het boek toen hij Wilhelm begin jaren twintig ontmoette. Dat spoort met een Chinese secundaire weergave, die het intensieve werk rond 1920 in Bollingen plaatst: hij zou een zomer hebben doorgebracht met een grondig zelfonderzoek van het boek, urenlang onder een oude perenboom bij zijn toren, met een bundel riet in plaats van duizendbladstengels.

Het voorwoord eindigt, in de formulering die Wikiquote en Princeton overleveren, met de stelling dat de I Tjing zich niet aandient met bewijzen en resultaten, zich niet opdringt en niet makkelijk te benaderen is. Als een deel van de natuur wacht het tot het ontdekt wordt. Wie er niet van gecharmeerd is, hoeft het niet te gebruiken.

Wilhelm, Lao Naixuan en de overtocht

De Engelse uitgave rust op het werk van Richard Wilhelm (卫礼贤, Wèi Lǐxián). Volgens de Chinese vertaling van het voorwoord op Sohu werd Wilhelm in 1873 in Duitsland geboren, studeerde hij theologie in Tübingen, werd in 1897 predikant gewijd, ging in 1899 naar Qingdao (青岛, Qīngdǎo) en bleef daarna tweeëntwintig jaar in China. De jaartallen 1873, 1899 en 1930 worden door 澎湃新闻 (The Paper) bevestigd.

Wilhelm leerde de filosofie en het gebruik van de I Tjing van Lao Naixuan (劳乃宣, Láo Nǎixuān), een geleerde en ambtenaar uit de late Qing-tijd. The Paper, in het artikel 《易经》及其相关解读:中国哲学在西方的传播 uit 2023, overgenomen van Princeton University Press China, stelt dat Lao Wilhelm aanbeval zich in de I Tjing te verdiepen, en dat de twee samen de eerste openbare bibliotheek van Qingdao oprichtten. Wilhelm zou bijna tien jaar aan de Duitse vertaling hebben gewerkt, die in 1924 verscheen. Lao wordt daar een vertegenwoordiger van de li-jiao-stroming genoemd: ritueel-georiënteerde confucianen.

Datzelfde artikel bevat elders een aantoonbare fout: het laat Cary Baynes in 1967, op aanbeveling van Jung, aan de vertaling beginnen. Zij begon in 1929, ruim voor het voorwoord van 1949, en de eerste druk verscheen in 1950. De fout is het vermelden waard omdat dit artikel elders als bron dient.

Jung en Wilhelm ontmoetten elkaar volgens één niet-academische bron begin jaren twintig op een bijeenkomst van graaf Hermann Keyserlings Schule der Weisheit in Darmstadt. Die plaatsing kon niet onafhankelijk worden bevestigd. Wel meldt dezelfde bron dat Jung Wilhelm in 1923 naar Zürich uitnodigde, waar Wilhelm voor de Psychologische Club een lezing over de I Tjing gaf. Jung noemde Wilhelms vertaling en toelichting diens belangrijkste werk, en prees zijn vermogen om zonder vooroordeel te luisteren naar de openbaringen van een vreemde mentaliteit.

Toen Wilhelm terugkeerde naar Europa en hoogleraar werd aan het China-Institut in Frankfurt, zei Jung tegen hem, volgens dezelfde bron, dat het Westen weer bezit van hem nam en hij zijn missie ontrouw werd. Wilhelm was in 1910 in China een amoebendysenterie opgelopen; na een terugval stierf hij op 1 maart 1930 in Tübingen, zesenvijftig jaar oud. Jung bezocht hem nog in het ziekenhuis in Frankfurt en zag dat Wilhelms dromen zich afspeelden in Aziatische steppelandschappen. In de herdenkingstekst In Memory of Richard Wilhelm uit 1930 noemde Jung de vertaling van de I Tjing opnieuw Wilhelms grootste levensprestatie.

Onze lezing, niet Jungs: de omgekeerde spijspot vol bezinksel en de man die het Westen zijn vertaler weer zag innemen, liggen tegen elkaar aan. De Engelse uitgave van 1950, twintig jaar na Wilhelms dood, met Jungs voorwoord ervoor, lijkt op het rechtzetten van die spijspot nadat de bemiddelaar zelf was teruggevallen in het Europese professoraat.

Wat Chinese geleerden zien

Naar onze indruk is het voorwoord in het Westen vooral beroemd om de twee raadplegingen. In de Chinese yixue (易学, Yijing-studies) is de inzet anders. Er is aandacht voor Jung en de I Tjing, maar over dit voorwoord van 1949 specifiek is minder direct vaktijdschriftmateriaal te vinden dan over bijvoorbeeld de zijden tekst van Mawangdui. Zoekopdrachten in 周易研究 (Zhouyi Yanjiu) en op de site van het 山东大学易学与中国古代哲学研究中心 (het Yijing- en Oud-Chinese-Filosofiecentrum van Shandong University) leverden geen openbaar artikel op dat dit voorwoord als onderwerp neemt.

Het dichtstbijzijnde is een lezing van iemand uit datzelfde centrum, gehouden elders. Op 27 maart 2023 sprak Zhang Wenzhi (张文智), hoogleraar en adjunct-directeur van dat centrum, aan de 中山大学 (Sun Yat-sen-universiteit) over 《易经》哲学与荣格分析心理学. Volgens het verslag van de filosofiefaculteit daar vertonen vrijwel alle kernbegrippen van Jungs analytische psychologie een innerlijke samenhang met de I Tjing-filosofie, en komt Jungs synchroniciteit overeen met het kosmologische ontstaansprincipe van de I Tjing. Wat dat begrip inhoudt, hoort bij een ander stuk in deze gids.

Zhang formuleert ook een vakinhoudelijke kritiek, geen nationalistische. Jungs individuatie geeft volgens hem de onderlinge verwevenheid van de acht items (八目) uit de Da Xue niet weer, en doet geen recht aan het I Tjing-begrip van deugd terugkeren naar de Dao (由德返道): van het verworvene terug naar het oorspronkelijke. Jung slaagt er volgens Zhang bovendien niet in qian yuan en kun yuan (乾元, 坤元), de oorsprongskrachten van Qian en Kun, te verbinden met yin en yang (阴阳两仪) en zo de ontologische grond van de taiji (太极) te vinden.

Onze lezing: Zhangs kritiek raakt een terrein waarover Jung zelf zei niet als sinoloog te kunnen spreken; of Jung die leemte ook zo zag, zeggen de bronnen niet.

Een tweede Chinese stem betreft niet het voorwoord maar een latere anekdote die daar vaak in wordt gelezen. Chen Bingyu (陈炳聿) schreef in 2014 op 新浪博客 (Sina) het stuk 荣格与胡适对易经的歧见. Hij plaatst de ontmoeting met Hu Shih (胡適, Hú Shì) in de jaren dertig, en de uitspraak dat de I Tjing niets dan een oude verzameling magische spreuken zonder betekenis is, expliciet in Jungs memoires Memories, Dreams, Reflections, niet in het voorwoord zelf. Toen Jung vroeg of een kloppend antwoord dan toch interessant was, reageerde Hu Shih aarzelend bevestigend. Engelstalige samenvattingen suggereren soms dat die scène in het voorwoord staat. Dit stuk volgt Chen voor de vindplaats; of de scène ook in het voorwoord staat, is hier niet nagegaan.

Chen leest het meningsverschil als spanning tussen het algemene en het bijzondere: Jungs belangstelling voor abstracte psychologische patronen tegenover Hu Shihs persoonlijke ervaring met het schaduwbeeld van Chinees fatalistisch bijgeloof. Hu Shihs kritiek heeft daardoor, volgens Chen, een uit ervaring gevoede kant. The Paper voegt, als kanttekening bij de westerse Yijing-receptie in het algemeen, Iulian Sjoetski (Shchutskii) toe, die terugging naar de oorspronkelijke tekst in plaats van uit te gaan van de vooringenomen structuur waarmee de meeste westerse geleerden het boek onderzoeken. Dat is een impliciete kritiek op de leeswijze waar ook Wilhelm en Jung toe gerekend kunnen worden.

Dat wijst erop dat het voorwoord in het Westen een omweg om de specialisten heen werd, en in de Chinese yixue eerder een zijpad naast de tekstgeschiedenis. Jung zegt zelf dat sinologen én gezaghebbende Chinese geleerden het boek als verouderde spreuken wegzetten. Hij weerlegde hen niet filologisch. Hij ging naar een lekenpubliek, met twee hexagrammen als getuigen. Princeton kan de New York Times nog altijd laten zeggen dat de Wilhelm-Baynes-uitgave onder liefhebbers de gezaghebbende blijft. In onze zoektocht vonden wij het voorwoord in de Chinese vakpers niet als kernstuk terug. Beide kunnen waar zijn.

In 2023 verscheen van Zeng in het Journal of Analytical Psychology het artikel The I Ching as a Potential Jungian Application: History and Practice. Titel, auteur, tijdschrift en jaar zijn geverifieerd; de volle inhoud van dat artikel kon voor dit stuk niet worden gelezen.

Bronnen

Het oude ritueel Werp de duizendbladstelen Stel je vraag en bouw je hexagram lijn voor lijn op, met de klassieke kansverdeling.

Verder lezen

Terug naar de gids