Hexagram 42
De Vermeerdering
益Yì
☴ Wind boven, ☳ Donder onder
Wind boven en donder beneden jagen elkaar aan: waar de een aanzwelt, wint de ander, en uit dat samenspel ontstaat een tijd waarin elke groei nieuwe groei aanwakkert.
Het OordeelDe vermeerdering: het loont iets te ondernemen; het loont het grote water over te steken. Het getij staat op geven en groeien: wat boven is, buigt zich naar beneden, en allen winnen. Zo'n tijd is er om gebruikt te worden, groot en zonder aarzelen.
Het BeeldWind en donder: het beeld van de vermeerdering. Zo handelt de edele: ziet hij het goede, dan volgt hij het na; heeft hij gebreken, dan legt hij ze af. Wind en donder versterken elkaar zoals de twee bewegingen van elke groei: het betere overnemen waar je het ziet, het eigen mindere loslaten waar je het vindt. Vermeerdering begint als imitatie van het goede.
DuidingWeinig tekens in het boek zijn zo gunstig als dit: de tijd van de vermeerdering, waarin offers van boven het beneden versterken en elke inspanning dubbel vrucht draagt. Het verschijnt wanneer de wind mee zit: hulp is beschikbaar, deuren staan open, groei is niet alleen mogelijk maar gewild. De opdracht is navenant: onderneem, en onderneem groot; waag eindelijk de sprong die je steeds uitstelt, want zulke vensters sluiten weer. En vergeet het Beeld niet: de snelste vermeerdering is de innerlijke. Zie je iets goeds bij een ander, neem het over, vandaag nog; vind je een gebrek bij jezelf, leg het af zonder plechtigheid. Zo blijf je groeien, ook als het getij straks keert.
Plaats in de reeksVermindering die maar doorgaat, slaat op haar dieptepunt om in haar tegendeel. Daarom volgt op 41, De Vermindering, de vermeerdering. Het vormt een paar met 41 · De Vermindering.
Kernhexagram
Het kernhexagram van De Vermeerdering is 23 · De Versplintering: Versplintering: iets kalft af en is niet te houden; onderneem niets, blijf heel, en weet dat in het einde het zaad van het nieuwe hangt. Het wordt gevormd uit de binnenste lijnen en toont de verborgen kern van de situatie.
De zes lijnen
Deze teksten horen bij veranderende lijnen in een lezing, van onder naar boven.
Negen aan het begin
Het loont grote daden te volbrengen:
verheven heil, geen blaam. Er komt kracht en hulp van boven naar je toe, en die schept een verplichting van formaat: gebruik haar voor iets groots, iets dat je op eigen kracht nooit had aangedurfd. Ontvangen gunst die klein wordt besteed, is verspilde gunst; de gever eren doe je door het geschenk volledig te benutten. Als je ooit een groot project wilde beginnen: dit is de lijn die zegt ja, nu, en denk groter.
Zes op de tweede plaatsheersende lijn
Iemand vermeerdert hem stellig:
tien paar schildpadden kunnen het niet tegenspreken. Blijvende volharding brengt heil. De koning stelt hem voor aan God: heil. Wie zich innerlijk op het goede richt, trekt vermeerdering aan als een dal het water: onweerstaanbaar, door geen orakel te ontkennen. De voorwaarde is bestendigheid: het is geen truc voor even maar een gerichtheid voor altijd. Zo'n leven wordt uiteindelijk voorgesteld aan het hoogste: het werk krijgt betekenis boven het persoonlijke uit. Houd de richting vast; de stroom volgt vanzelf.
Zes op de derde plaats
Men wordt verrijkt door ongelukkige gebeurtenissen:
geen blaam, als je waarachtig bent, in het midden wandelt en aan de vorst rapporteert met een zegel. Zelfs tegenslag vermeerdert in deze tijd, mits je er goed mee omgaat: waarachtig blijven, het midden houden, en open verantwoorden wat er gebeurd is. Een crisis die zo gedragen wordt, levert gezag op dat voorspoed nooit kan geven: mensen hebben gezien wie je bent als het tegenzit. Verlies dat je louterde, is vermeerdering met een omweg; draag het zegel ervan zonder schaamte.
Zes op de vierde plaats
Als je in het midden wandelt en aan de vorst rapporteert, zal hij volgen.
Het loont gebruikt te worden bij het verplaatsen van de hoofdstad. De positie van de bemiddelaar: tussen boven en beneden, vertrouwd door beiden omdat je geen eigen spel speelt. Vanuit dat zuivere midden word je gevolgd, zelfs bij de grootste veranderingen: het verplaatsen van een hoofdstad, het omgooien van een organisatie, de verhuizing van iets dat iedereen heilig leek. Bewaak die zuiverheid als je kapitaal: één keer eigenbelang, en het midden is weg.
Negen op de vijfde plaatsheersende lijn
Als je waarlijk een vriendelijk hart hebt, vraag dan niet:
verheven heil. Waarlijk, vriendelijkheid zal als jouw deugd erkend worden. Echte goedheid houdt geen boekhouding bij: ze vraagt niet of het gezien is, niet wat het oplevert, niet of er iets terugkomt. En juist die vraagloosheid is wat haar onweerstaanbaar maakt: goedheid die niets nodig heeft, wordt overal herkend en beantwoord. Wie goed doet en meteen om de bon vraagt, verkoopt; wie goed doet en doorloopt, zaait. Het verschil bepaalt de oogst.
Negen bovenaan
Hij vermeerdert niemand; ja, iemand slaat zelfs naar hem.
Hij houdt zijn hart niet blijvend standvastig: onheil. De schaduwzijde van de tijd van het geven: wie in deze tijd alleen nog neemt, valt op als een gierigaard op een bruiloft, en de wereld reageert navenant: eerst isolement, dan klappen. Een hart zonder vaste koers (vandaag gul, morgen grijpend, altijd rekenend) eindigt alleen. De les is de omkering: in een tijd van vermeerdering is vrijgevigheid geen luxe maar de toegangsprijs; wie hem niet betaalt, zet zichzelf buiten de stroom.